Het vriest ondertussen al enkele dagen. Sommigen dromen al van een Elfstedentocht maar gezien de energieprijzen hoop ik, en met mij velen, dat we daarvan gespaard blijven. Ook onze Orde lijkt geïnspireerd door het koude weer want ze trok de schaatsen aan en begaf zich op… glad en dun ijs.
Ik leg uit waarom.
Situering
Enkele dagen terug ontvingen alle leden van de Nederlandstalige Gewestelijke Raad van de Orde der Dierenartsen (NGROD) (minstens in Vlaanderen…) een nieuwsbrief met volgende mededeling “De NGROD wenst U te informeren over de stand van zaken in het dossier van de dierverpleegkundigen (DVK) en de dierverzorgers (DV). De Hoge Raad heeft de ontwerptekst van de werkgroep van de NGROD en de CRFOMV goedgekeurd en deze zal binnenkort integraal deel uitmaken van de Code der Plichtenleer.” Dat schrijven werd begeleid door een (wat slordige) scan van een verslag van een beslissing van de Hoge Raad van de Orde der Dierenartsen van 6 december 2022 (zie foto). Die somt de handelingen op die “dierverpleegkundigen” en/of “dierverzorgers”, onder direct of indirect toezicht van een dierenarts, na publicatie van de lijst via onze Code der Plichtenleer, zullen kunnen uitvoeren.

Verbaasd
Mijn eerste reactie bij het lezen van de titel was er een van tevredenheid en wel omdat het dossier van de “assistenten” was vlot getrokken.
Althans, zo leek het. Nadat ik alles had doorgenomen was ik zeer verbaasd over de manier waarop onze Orde dit dossier heeft aangepakt. De brief en de lijst roepen namelijk veel meer vragen op dan ze antwoorden bieden.
Dat men daarnaast bij de Franstalige tegenhanger van onze NGROD, de Conseil Regional Francophone de l’Ordre des Médecins Vétérinaires (CRFOMV) ondertussen laat weten “dat deze lijst enkel van toepassing is in Vlaanderen” is moeilijk te begrijpen. De diergeneeskunde is in België namelijk nog steeds een federale aangelegenheid, vandaar ook de rol van de Hoge Raad in dit dossier. Hoe kan een lijst goedgekeurd door de Hoge Raad dan enkel van toepassing zijn op de Vlaamse dierenartsen? Werd de diergeneeskunde geregionaliseerd zonder dat we het wisten?
Dat de Union Professionelle Vétérinaire (UPV, het Waalse syndicaat, zusje van het Vlaamse VeDa) mij laat weten helemaal niet betrokken te zijn geweest bij dit dossier terwijl het schrijven van de NGROD ons vertelt dat er “intensief overleg was met de diverse belanghebbenden; Savab, Veda, UPV, Interregionale, UGent, BaDiZo, hogescholen, Hoge Raad, CRFOMV en de NGROD” is toch ook bizar (en zet daar kwaad bloed). En nu blijkt ook dat noch de Interregionale, noch VeDa, noch SAVAB werden betrokken bij het finaliseren van dit dossier en ook niet elke Hogeschool… . Dat is toch wel onhandig.
De diergeneeskunde is een wettelijk beschermd beroep
Niet zomaar iedereen kan de diergeneeskunde uitoefenen. De wetgever creëerde daartoe in 1991 het wettelijk kader door onder andere de monopoliehandelingen van dierenartsen op te lijsten. Stellen dat deze wet, die in de jaren 80 van de vorige eeuw werd geschreven, toe is aan een update, is een open deur intrappen. Dat de Orde enkele weken geleden die open deur toetrapte – ik kom er later op terug als ik het heb over de biggencastratie – en toch deze week uitpakt met dit dossier, suggereert een gebrek aan helikopterperspectief.
Het is heel simpel: al wat geen wettelijk bepaalde diergeneeskundige handeling is, mag door iedereen uitgevoerd worden (met of zonder diploma x of y). Is de betreffende acte wél een wettelijk bepaalde diergeneeskundige handeling dan mag ze alleen door een dierenarts worden uitgeoefend (met enkele nuances, zie verder).
Ik som enkele essentiële passages van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde van 1991 om te begrijpen wat misloopt met de demarche van onze Orde:
- Het doel van de diergeneeskunde is “de anatomische structuren of de fysiologische functies van dieren te beoordelen, in stand te houden, te wijzigen of te herstellen en de geschiktheid voor consumptie van dieren bij de slachting of na de vangst te beoordelen” (artikel 2);
- De diergeneeskundige handelingen zijn netjes opgelijst (artikel 3 §1):
- “1° het onderzoeken van de gezondheidstoestand van het dier met het oog op het stellen van een diagnose en, in voorkomend geval, het afgeven van een getuigschrift ter zake;
- 2° het opsporen van ziekten bij dieren;
- 3° het stellen van een diagnose, wat inhoudt het zoeken naar de oorzaken van een verstoring van de anatomische structuur of van de fysiologische functies bij het dier;
- 4° het instellen en uitvoeren van een behandeling;
- 5° het voorschrijven van geneesmiddelen voor dieren;
- 6° het heelkundig en tandheelkundig ingrijpen bij dieren;
- 7° het onderzoek ante mortem en post mortem van dieren met het oog op het bepalen van de geschiktheid voor menselijke consumptie, en met het oog op het inwinnen van informatie over de gezondheidstoestand van de veebeslagen van herkomst;
- 8° de lijkschouwing van dieren;
- 9° de embryotransplantatie bij dieren;
- 10° de euthanasie bij dieren.”
- Proefdierkunde (met een eigen wetgeving waar we hier niet op in gaan) en “het gebruikelijke verzorgen van dieren, evenals het toezicht houden op de normale anatomische en fysiologische veranderingen, met inbegrip van alle uitwendige ingrepen met de bedoeling pathologische toestanden te voorkomen” zijn dan weer geen diergeneeskundige handelingen (artikel 3 §2).
- Niemand mag de diergeneeskunde uitoefenen zonder te beschikken over het dierenartsendiploma én zonder te zijn ingeschreven op een lijst van de Orde (artikel 4). Ook de diergeneeskundige rechtspersoon, in 2014 geïntroduceerd via de Wet van 1950, kan de diergeneeskunde uitoefenen via de dierenartsenvennoten of dierenartsen die, op basis van een contract, voor de vennootschap werken (allen uiteraard ook lid van de Orde). De dierenarts is dus evident dé persoon die diergeneeskundige handelingen mag stellen bij dieren van derden (!).
- De wetgever voorzag echter in enkele uitzonderingen op de bovenstaande regel waarvan sommige reeds hun toepassing kennen:
- het kader van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding (artikel 6) laat veehouders onder andere toe via een contract met hun dierenarts vaccins en bepaalde hormonen – nochtans diergeneesmiddelen exclusief voorbehouden voor de dierenarts (artikel 12 §2) – te gebruiken bij hun eigen (!) dieren;
- de opening via artikel 5, 2° langs waar varkenshouders heel binnenkort hun eigen (!) biggen legaal zullen kunnen verdoven en castreren met anesthetica (nochtans evident ook producten voorbehouden voor dierenartsen, artikel 12 §2);
- artikel 7 dat de diergeneeskundige helper introduceert die, na publicatie van een uitvoeringsbesluit (wat tot op vandaag nog niet gebeurde) en onder de verantwoordelijkheid van een erkende dierenarts, diergeneeskundige handelingen mag stellen bij dieren van derden (!).
Over delegeren van diergeneeskundige handelingen naar de personen met de diploma’s die vermeld worden in het schrijven van de Orde, is nergens iets wettelijk geregeld.
Ter aanvulling: ook de Franse Code Rurale, definieert de diergeneeskundige handeling: “acte de médecine des animaux: tout acte ayant pour objet de déterminer l’état physiologique d’un animal ou d’un groupe d’animaux ou son état de santé, de diagnostiquer une maladie, y compris comportementale, une blessure, une douleur, une malformation, de les prévenir ou les traiter, de prescrire des médicaments ou de les administrer par voie parentérale.”
In Nederland worden via de Wet Dieren de diergeneeskundige handelingen opgelijst (artikel 1). De eerste luidt: “het voorschrijven of uitvoeren van een behandeling of het onderzoeken van een dier, met het oog op het voorkomen, genezen, verzachten, onderkennen of opheffen van een aandoening, dierziekte, zoönose, ziekteverschijnsel, gebrek, of van in- of uitwendig letsel of pijn.” Ook het verrichten van lichamelijke ingrepen is een diergeneeskundige handeling (zie verder).
In essentie is het voor zij die de huidige wetgeving kennen dus vrij duidelijk wat de diergeneeskundige handelingen zijn en wie die onder welke voorwaarden kan uitvoeren. Eigenlijk is het met die kennis dan ook vrij makkelijk te bepalen welke diergeneeskundige handelingen een persoon met een Bachelordiploma Agro- en Biotechnologie als dierenverpleegkundige of met een A2 diploma als dierenverzorger binnen het huidige wettelijk kader kan stellen bij de patiënten van de dierenarts: geen enkele!
Toch worden er enkele (zie verder) via het schrijven van de Orde gedelegeerd. Dit kan niet want enkel een aanpassing van de wet en/of het publiceren van een Koninklijk Besluit kan daar verandering in brengen; een brief van de Orde of zelfs een aanpassing van de Code kan dat helemaal niet. §3 van artikel 3 van de Wet van 1991 is de Orde blijkbaar ontgaan maar is glashelder:“De Koning kan, na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van de in § 1 (= de diergeneeskundige handelingen) en § 2 (= geen diergeneeskundige handelingen) genoemde handelingen aanvullen naargelang van de evolutie van de wetenschap.” De Orde eigent zich dus onterecht de bevoegdheden van de wetgever toe.
Illegale uitoefening van de diergeneeskunde
Op basis van bovenstaande is duidelijk dat een lange lijst opstellen van wat de dierenverpleegkundigen en/of dierverzorgers dan wel en niet kunnen doen eigenlijk overbodig is. Het kan uiteraard verhelderend werken (zeker voor zij die deze mensen opleiden), tenzij het verwarrend wordt, of erger, tenzij de Orde (onbedoeld) leken aanzet tot de illegale uitoefening van de diergeneeskunde. En dat is wat hier gebeurt gezien de Orde diergeneeskundige handelingen delegeert aan leken in afwezigheid van een wettelijk kader terwijl ze dat helemaal niet kan.
Ik geef enkele voorbeelden uit de lijsten:
- Dierenverpleegkundigen (bachelor diploma) mogen onder indirect toezicht van een dierenarts onder andere het volgende doen: “Meeting, registratie en melding van afwijkende waarden aan de verantwoordelijke[1] van de parameters behorende tot de verschillende biologische functiestelsels (monitoring, hospitalisatiefiche, consultatiefiche)” en “Controle op patiënten met een kunstmatige luchtweg”. Een oplettend lezer begrijpt dat dit strijdig is met het doel van de diergeneeskunde (artikel 2 van de Wet van 91; zie hierboven) en dus, in de afwezigheid van een wettelijk kader dat dat regelt, nooit door een niet-dierenarts kan worden uitgevoerd.
- Diezelfde dierverpleegkundigen mogen onder direct toezicht van een dierenarts ook “een bloedafname uitvoeren door veneuze punctie (met uitsluiting van bloedafname voor sanitaire controles[2] en de certificering)”. Ook dat is zonder discussie een diergeneeskundige handeling gezien het invasieve karakter van de bloedafname én deze steeds uitgevoerd wordt binnen minstens de bepalingen van de 1e en/of 2e en/of 3e diergeneeskundige handeling (zie hierboven). Dat bloedafname op zich al een diergeneeskundige handeling is, kan trouwens afgeleid worden uit de definitie van een dierproef zoals bepaald in de Dierenwelzijnswet van 1986 (artikel 3): “elk al dan niet invasief gebruik van een dier voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of voor onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap …”. Als de wetgever goed diergeneeskundig vakmanschap vereist bij het inbrengen van een naald, dan is het logisch dat een dierenarts die naald hanteert. Ook in Nederland zit met op dezelfde lijn: de Wet Dieren beschrijft een “lichamelijke ingreep” (een diergeneeskundige handeling) als volgt: “ingreep bij een dier, waarbij de natuurlijke samenhang van levende weefsels wordt verbroken, met inbegrip van het afnemen van bloed en het geven van injecties, en met uitzondering van het doden van een dier”. Een niet-dierenarts mag dus nooit bloed afnemen, bij gebrek aan wettelijk kader dat dit regelt!
Daarnaast viel mij binnen de lijst van handelingen die de dierenverzorgers mogen uitvoeren onder direct toezicht van de dierenarts ook de bepaling “technische assistentie aan de dierenarts in de nutsdierensector” op. Dat is bijzonder vaag en de link met wetgeving is geheel onduidelijk. De vraag blijft waarom de Orde dat expliciet vermeldt: alle niet-diergeneeskundige handelingen mogen immers gesteld worden door leken. Dus ook een bakker die het bakken beu is doch ’s nachts de slaap nog steeds niet kan vatten, mag de baarmoedertang van een dierenarts vasthouden terwijl die laatste (!) een keizersnede uitvoert.
Een laatste vraag die ik me stel, is of de dierenartsen vermeld in de lijsten van de Hoge Raad en die direct of indirect toezicht houden wel of niet erkend moeten zijn? De wetgever voorzag in 1991 alvast wel dat de “diergeneeskundige helper” steeds onder de verantwoordelijkheid moet werken van een erkende dierenarts. Onze Orde stond daar mogelijks niet bij stil.
De betere route
Let op: bovenstaande staat helemaal los van de vraag of het wenselijk is om dierenverpleegkundigen bepaalde diergeneeskundige handelingen te laten stellen. Ook ik heb in 2018 al luidop de vraag gesteld of een wettelijk kader moet gecreëerd worden dat er voor zorgt dat we bepaalde handelingen terug in de nabijheid kunnen brengen van de dierenartsen via helpers of dat bijdraagt aan hun professionele ondersteuning door goed opgeleide verpleegkundigen. Dat laatste is wat onze Orde vandaag probeert te doen en ik heb daar alle appreciatie en respect voor (ook voor het overleg met de Hogescholen) maar het moet uiteraard correct gebeuren. Quod non.
Wil je dat leken diergeneeskundige handelingen kunnen stellen (zoals bloedafnames en andere) dan moet je daarvoor ofwel de Wet van 1991 wijzigen, dan wel de mogelijkheid bekijken of een uitvoeringsbesluit kan gekoppeld worden aan een reeds bestaand artikel uit de Wet (zoals ik in 2018 al suggereerde). Die denkoefening gebeurde recent trouwens zeer uitgebreid in het kader van het overleg met de landbouworganisaties op het kabinet van Minister Clarinval in het dossier van het verdoofd castreren. Er werd uitdrukkelijk gekeken naar artikel 7 van de Wet van 1991 maar dat de Orde zelf, onder druk van enkele onterecht-panikerende Waalse Ordeleden, helemaal op het laatst die deur toesloeg, tegen alle afspraken onder de dierenartsen in die meedachten binnen een ruimer kader, zindert nog steeds na maar is vooral niet te begrijpen in het licht van wat vandaag voorligt. Deze dossiers zijn zo evident met elkaar verbonden dat het niet te begrijpen valt dat de Orde dat niet beseft.
Et alors?
Vele dierenartsen zullen de schouders ophalen bij mijn betoog over de onwettelijkheid van de demarche van de Orde. Ze zullen blij zijn dat de Orde eindelijk een opening creëerde voor de “assistenten”. Ze zullen de Orde volgen als die in haar schrijven stelt dat de lijsten “praktische hulp betekenen bij het rekruteren van dierenverpleegkundigen”. Dat begrijp ik helemaal maar dat de Orde onbedoeld de onwettige uitoefening van de diergeneeskunde faciliteert, is natuurlijk niet normaal. Als je weet dat je als dierenarts strafbaar bent als je leken helpt bij de onwettige uitoefening van de diergeneeskunde[3] én als je je realiseert dat de Code der Plichtenleer dierenartsen verplicht om aangifte te doen van de onwettige uitoefening van de diergeneeskunde bij… de Orde[4] dan weet je dat het niet gekker moet worden.
De Code van de dierenartsen gebruiken om niet-dierenartsen regels op te leggen?
De eerste zin van de laatste editie van de Code gaat als volgt: “De huidige Code is van toepassing op de dierenartsen ingeschreven op de lijst van de Orde.”. Toch wil de Orde de lijsten met taken en regels voor niet-dierenartsen integraal deel laten uitmaken van diezelfde Code. Dat is bizar. Ik mag hopen dat andere beroepsgroepen die logica niet volgen en de dierenartsen via hun Code of lastenboeken (denk aan de veehouders!) bepaalde regels (onwettig) willen op leggen… . Daarnaast heeft de Orde ook helemaal geen wettelijke bevoegdheid om dierverpleegkundigen en dierverzorgers contracten te laten afsluiten die voldoen aan haar eisen. En, welke niet-bestaande bevoegdheid eigent de Orde zich toe om te bepalen welke onderwijsinstelling voldoet aan haar eisen en welke niet? Houston!?
Om af te ronden
Nergens wordt duidelijk gemaakt hoe niet-dierenartsen zonder een bachelor of A2 diploma (vaak de partners van dierenartsen met jaren ervaring) moeten omgaan met dit schrijven. Ik zal hen alvast van alle stress verlossen en terugkomen tot de essentie waarmee ik begon: al wat geen wettelijk bepaalde diergeneeskundige handeling is, mag door iedereen uitgevoerd worden (met of zonder bachelor of A2 of … diploma). Is de betreffende acte wél een wettelijk bepaalde diergeneeskundige handeling dan mag ze alleen door een dierenarts worden uitgeoefend, met de nuances die ik hierboven omstandig heb beschreven.
Had onze Orde even over het muurtje gekeken dan had ze vastgesteld dat ook de Code der artsen – evident – geen bepalingen voor de verpleegkundigen bevat. De wetgever voorzag daarentegen wél in een wettelijk kader voor de taken die een arts of tandarts kan toevertrouwen aan verpleegkundigen. Inspirerend!
Voor de dierenartsen, en de Hogescholen en hun studenten is dit een zeer belangrijk dossier. Alleen moet iedereen, ook de Orde, beslagen op dik ijs komen om zaken correct ten goede te doen bewegen.
(Dank aan Dr. Marc Janssens als mede-aanbrenger van opbouwende kritiek bij dit artikel).
[1] Hier is men vermoedelijk vergeten “dierenarts” toe te voegen maar dit is een typo met bizarre gevolgen want “de verantwoordelijke” is in de Wet van 1991 (artikel 1 §1, 3°) namelijk gedefinieerd als “de eigenaar of de houder die gewoonlijk over dieren een onmiddellijk beheer en toezicht uitoefent”.
[2] Deze term had men duidelijker kunnen formuleren door te verwijzen naar de “gereglementeerde opdrachten” vermeld in een nieuw KB tot instelling van het epidemiologisch toezicht op inrichtingen waar bepaalde dieren gehouden worden (2022), geënt op de Animal Health Law (Ver 2016/429)
[3] Artikel 18 van de Wet van 1991: “Het is aan ieder dierenarts of diergeneeskundige rechtspersoon verboden om op enige wijze zijn medewerking te verlenen aan een derde of als naamlener voor hem op te treden, met het doel hem te onttrekken aan de straffen gesteld op de onwettige uitoefening van de diergeneeskunde of de artsenijbereidkunde.”
[4] Artikel 33 van de Code der Plichtenleer: “Het is elke dierenarts verboden om op enige wijze zijn medewerking te verlenen aan een derde of als naamlener voor hem op te treden, met het doel hem te helpen bij de onwettige uitoefening van de diergeneeskunde of van de artsenijbereidkunde of hem te onttrekken aan strafvervolging. De dierenarts die kennis heeft van feiten van onwettige uitoefening van de diergeneeskunde of van de artsenijbereidkunde, is gehouden onverwijld aangifte te doen bij de gerechtelijke en/of de ordinale instanties.”




Geef een reactie op Bernard Carton Reactie annuleren