Geschreven voor VeDa Scoop nr 10 (juli-augustus 2022)
Momenteel wordt door de vertegenwoordigers van de dierenartsen (VeDa, UPV, de Franstalige en Nederlandstalige Ordes) en de veehouders (Boerenbond, ABS en FWA) op het kabinet van MR-minister Clarinval, bevoegd voor landbouw en diergeneeskunde, onderhandeld over het invullen van de eis van het Duitse QS om mannelijke biggen enkel nog verdoofd te castreren. Duitsland is een belangrijke afzetmarkt en “die eis wordt best zo snel mogelijk ingewilligd”, aldus de landbouwsector. Kernvraag is uiteraard wie die verdoofde castraties zal uitvoeren. Om de discussies in dit dossier te begrijpen en de reikwijdte ervan voor alle dierenartsen in te kunnen schatten, is het essentieel het wettelijk kader te situeren. Daarvoor verwijs ik naar fragmenten uit de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunde van 1991, onderaan dit artikel (zie kader), en dienend als leidraad voor hetgeen volgt.
Artikel 5, 2°.
De Duitse eis inwilligen gebeurt het snelst en makkelijkst door de publicatie van een beknopt Koninklijk Besluit (KB) dat uitvoering geeft aan een artikel van de Wet van 1991: artikel 5, 2°. Enkele weken terug werd zelfs, om in te gaan op de Duitse vraag én eerst zonder overleg met de dierenartsen, een eerste draft van een dergelijk KB geschreven op de FOD Volksgezondheid dat, gebruikmakend van dit artikel (1) het castreren van biggen door veehouders legaliseert (elke biggencastratie die vandaag niet door een dierenarts wordt uitgevoerd is gedoogde onwettige uitoefening van de diergeneeskunde los van de verdovingskwestie) én (2) na schriftelijk akkoord van de bedrijfsdierenarts, de veehouder toelaat daarvoor lokale anesthetica, nochtans krachtens artikel 12, §2 voorbehouden voor dierenartsen, verschaft door die bedrijfsdierenarts, te gebruiken. De basis voor deze delegatie staat sinds 1991 in de Wet en vindt zijn oorsprong in de jaren tachtig van de vorige eeuw toen die geschreven werd en biggencastratie ook met zoveel woorden genoemd werd als een voorbeeld van invulling van dit artikel. Eens dit KB gepubliceerd is, castreert de veehouder volledig legaal (wat vandaag niet het geval is, want chirurgie) en gebruikt (?) en stockeert vanaf dan lokale anesthetica, verschaft door de bedrijfsdierenarts. Dat de wetgever ook een advies van de Hoge Raad van onze Orde voorzag alvorens het KB te kunnen publiceren, is eerder een formaliteit dan dat het de dierenartsen de macht geeft om tussen te komen.
Implicaties voor het beroep
Dit dossier lijkt specifiek gelinkt aan de varkenssector maar is het niet omdat het raakt aan twee monopoliehandelingen van alle dierenartsen: (1) chirurgie (artikel 1, §1, 6°) en (2) het gebruik van anesthetica (artikel 12, §2). De vertegenwoordigers van de dierenartsen verzetten zich dan ook eendrachtig tegen de publicatie van dit “castratie-KB” en stellen daarbij terecht dat een maatschappij waarin dierenwelzijn gigantische aan belang heeft gewonnen (geen issue in de jaren tachtig toen de Wet van ‘91 werd geschreven), niet (langer) zal accepteren dat leken biggen castreren. De landbouworganisaties beseffen dat. Voor de vertegenwoordigers van de dierenartsen, die niet alleen het belang van de varkensdierenartsen moeten verdedigen maar rekening moeten houden met het belang van het volledige dierenartsencorps, is meegaan in “artikel 5, 2°- piste” geen optie want het zet de deur wijder open voor een verdere “uitverkoop”. Want denkt straks een “slimme” hondenfokker ook niet dat hij via een zelfde weg – letterlijk en figuurlijk- kan opereren?
Breder wettelijk kader
Om “de artikel 5, 2° -piste” goed te begrijpen is het essentieel stil te staan bij de opbouw van de wetgeving rond de diergeneeskundige handelingen. De Wet van 1991 introduceert naast enkele definities (artikel 1, §1), wat het doel is van de diergeneeskunde in artikel 2; in artikel 3, §1 worden de diergeneeskundige monopoliehandelingen opgesomd. Deze zijn de essentie van de diergeneeskunde en worden – in principe – uitgevoerd door dierenartsen, lid van de Orde. Wat in geen geval diergeneeskundige handelingen zijn, wordt vermeld in §2; §3 vermeldt dat de lijst van §1 kan worden aangevuld, na advies van de Orde. Het principe van het monopolie op de handelingen uit artikel 3, §1 wordt echter door de daarop volgende artikelen 5, 6 en 7 deels “uitgehold”: men creëerde de wettelijke basis om via uitvoeringsbesluiten diergeneeskundige handelingen te delegeren aan onder andere de verantwoordelijke (gedefinieerd in artikel 1, §1, 3°). Dat is lastig, zeker als je weet dat artikel 4 eerst op scherp stelt dat niemand de diergeneeskunde uit mag voeren zonder lid te zijn van de Orde, en dus het juiste diploma te hebben behaald, zoals artikel 1, §1, 1° duidelijk maakt.
Artikel 5 maakt – zie hierboven – dat de QS eis inwilligen wettelijk heel eenvoudig kan mits de publicatie van een uitvoeringsbesluit (KB) met wat (simpele) modaliteiten.
Artikel 6 is de route langs waar de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding mogelijk werd gemaakt en waarmee in essentie ook al een kader werd gecreëerd waarbinnen de verantwoordelijke bepaalde handelingen kan stellen bij eigen dieren en kan beschikken over geneesmiddelen, verschaft door de bedrijfsbegeleidende dierenarts, die eigenlijk enkel door dierenartsen kunnen worden gebruikt zoals vaccins en hormonen (zie artikel 12, § 2). Dat kader bestaat in de realiteit sinds de publicatie van het KB van 10 april 2000. Gezien ook weer hier zwierig gebruik gemaakt wordt van delegeren van diergeneeskundige handelingen aan veehouders (dus leken) lijkt ook dit wettelijk kader in zijn huidige vorm geen optie om de eis van de Duitsers in te willigen.
Andere opties?
Binnen het overleg op het kabinet Clarinval denken de dierenartsen luidop over een wettelijk kader waarin de dierenarts werkt met een team van “assistenten” die onder diens verantwoordelijkheid en toezicht (al dan niet direct) de castraties uitvoeren. Een dergelijk kader kan ook als hefboom dienen om andere diergeneeskundige handelingen “terug te halen” (denk aan de vaccinaties in de pluimveesector), niet zozeer door al die zaken zelf te gaan doen (onvoldoende handen beschikbaar) maar wel door ze weer onder diergeneeskundig gezag én verantwoordelijkheid te brengen. Die denkoefening is zeer nuttig en sluit erg aan bij een artikel dat ik in januari publiceerde en erg actueel werd door de vraag van QS (“Helikopterzicht”).
Vraag is of de wet een “assistenten- kader” vandaag al mogelijk maakt. Het antwoord is negatief, ook al werd de diergeneeskundige helper (gedefinieerd in artikel 1, §1, 7°) in de Wet van ‘91 geïntroduceerd, doch zonder uitvoeringsmodaliteiten (dus zonder dat een KB verscheen met bijvoorbeeld diplomavoorwaarden of een lijst van toegestane handelingen). Het gaat specifiek over leken die diergeneeskundige handelingen mogen stellen bij dieren van derden onder het gezag en de verantwoordelijkheid van een dierenarts, maar enkel in het kader van de officiële dierziektebestrijding (denk aan staalnames). Dat maakt dat deze helpers dus niet zomaar omgeturnd kunnen worden tot leden van “castreerploegen” (of “vaccinatieploegen”). Zelfs het publiceren van een KB met modaliteiten biedt in deze dus geen oplossing, enkel een aanpassing van de Wet van 1991 doet dat maar dat kost – doorgaans – veel meer tijd (want moet door het Federale Parlement), houdt risico’s in (mogelijks overtuigen bepaalde lobbygroepen een politieke partij in de meerderheid om voor ons beroep ongewenste zaken toe te voegen) en zou er van die oefening gebruik gemaakt moeten worden om ook andere zaken aan te passen aan de diergeneeskunde van de 21e eeuw.
Conclusie
De publicatie van een “castreer KB” in uitvoering van Artikel 5, 2° dat Belgische varkenshouders toelaat legaal én met lokale anesthesie te castreren, is vandaag wettelijk mogelijk en kan snel geregeld worden. De dierenartsen wensen dat unisono niet en werpen op dat dat te bedreigend is voor de ganse diergeneeskunde én dat het dierenwelzijn daarmee nooit gebaat is. Zowel Minister Clarinval (niet alleen minister van landbouw en bevoegd voor de diergeneeskunde maar ook bevoegd voor KMO’s en zelfstandigen) als de landbouworganisaties begrijpen dat doch de druk vanuit Duitsland is groot voor een varkenssector die het vandaag economisch erg lastig heeft. Ook de varkensdierenartsen voelen dat en zitten tussen hamer en aambeeld. Een snel alternatief is er niet gezien een (al dan niet) uitgebreid wettelijk kader creëren voor (castreer)teams die opgeleid door en onder verantwoordelijkheid van de (varkens)dierenarts werken, een wetswijziging vereist (minstens een aanpassing van artikel 7) aangevuld met een uitvoeringsbesluit en dat is een ander proces dan de publicatie van een KB dat uitvoering geeft aan een reeds bestaande wettelijke bepaling (artikel 5, 2°). Dat daarnaast dierenwelzijn een regionale en niet een federale bevoegdheid is (zoals de diergeneeskunde) maakt de ganse zaak uiteraard niet eenvoudiger.
Wordt vervolgd.
Relevante passages uit de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunde van 28 augustus 1991
HOOFDSTUK I. – Algemene bepalingen.
Artikel 1.
§ 1. Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder:
1° dierenarts degene die in het bezit is van het wettelijk diploma van doctor in de veeartsenijkunde of in de diergeneeskunde, behaald overeenkomstig de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens of die er wettelijk van vrijgesteld is;
3° verantwoordelijke: de eigenaar of de houder die gewoonlijk over dieren een onmiddellijk beheer en toezicht uitoefent;
7° diergeneeskundige helper: degene die in het kader van de toepassing van wettelijke en verordeningsbepalingen bepaalde diergeneeskundige handelingen mag uitvoeren bij dieren van derden.
HOOFDSTUK II. – Doel van de diergeneeskunde.
Art. 2. De diergeneeskunde heeft tot doel de anatomische structuren of de fysiologische functies van dieren te beoordelen, in stand te houden, te wijzigen of te herstellen en de geschiktheid voor consumptie van dieren bij de slachting of na de vangst te beoordelen.
HOOFDSTUK III. – Diergeneeskundige handelingen.
Art. 3.
§ 1. De uitoefening van de diergeneeskunde bestaat in het uitvoeren van een of meer diergeneeskundige handelingen. Voor de toepassing van deze wet zijn diergeneeskundige handelingen:
1° het onderzoeken van de gezondheidstoestand van het dier met het oog op het stellen van een diagnose en, in voorkomend geval, het afgeven van een getuigschrift ter zake;
2° het opsporen van ziekten bij dieren;
3° het stellen van een diagnose, wat inhoudt het zoeken naar de oorzaken van een verstoring van de anatomische structuur of van de fysiologische functies bij het dier;
4° het instellen en uitvoeren van een behandeling;
5° het voorschrijven van geneesmiddelen voor dieren;
6° het heelkundig en tandheelkundig ingrijpen bij dieren;
7° het onderzoek ante mortem en post mortem van dieren met het oog op het bepalen van de geschiktheid voor menselijke consumptie, en met het oog op het inwinnen van informatie over de gezondheidstoestand van de veebeslagen van herkomst;
8° de lijkschouwing van dieren;
9° de embryotransplantatie bij dieren;
10° de euthanasie bij dieren.
§ 2. Voor de toepassing van deze wet zijn in geen geval diergeneeskundige handelingen:
1° het uitvoeren van experimentele ingrepen op dieren door of onder de leiding en de verantwoordelijkheid van universitair gediplomeerden in daartoe erkende laboratoria;
2° het gebruikelijke verzorgen van dieren, evenals het toezicht houden op de normale anatomische en fysiologische veranderingen, met inbegrip van alle uitwendige ingrepen met de bedoeling pathologische toestanden te voorkomen.
§ 3. De Koning kan, na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van de in § 1 en § 2 genoemde handelingen aanvullen naargelang van de evolutie van de wetenschap.
Art. 4. Niemand mag de diergeneeskunde uitoefenen zonder ingeschreven te zijn als dierenarts op de lijsten van de Orde die het beroep beheren zoals bedoeld in de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen of als diergeneeskundige rechtspersoon op de in dezelfde wet bedoelde lijsten van de Orde.
Art. 5. In afwijking van artikel 4, kan de Koning:
1° na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen, de lijst vaststellen van de diergeneeskundige handelingen, die in de ontwikkelingsstand van de wetenschap geen gebruik vereisen van anaesthetica, tranquilantia, analgetica, neuroleptica of infectiewerende middelen en die de verantwoordelijke mag uitvoeren op zijn dieren;
2° na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen en van de Nationale Landbouwraad, bij een in Ministerraad overlegd besluit,
– de lijst vaststellen van de diergeneeskundige handelingen die het gebruik van de in 1° bedoelde produkten vereisen en die de verantwoordelijke mag uitvoeren op zijn dieren indien hij het geschreven akkoord heeft van zijn overeenkomstig artikel 4, van deze wet erkende dierenarts;
– en de voorwaarden vaststellen inzonderheid inzake de bevoorrading, de bewaring en het gebruik van de voorgeschreven of verschafte geneesmiddelen.
De keizersnede mag niet in deze lijst van diergeneeskundige handelingen worden opgenomen.
Het schriftelijk akkoord van de overeenkomstig artikel 4 van deze wet erkende dierenarts moet aan de Gewestelijke raad van de Orde der dierenartsen medegedeeld worden.
Art. 6.§ 1. Een geschreven overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding kan worden gesloten tussen een overeenkomstig artikel 4 van deze wet erkende dierenarts of een erkende diergeneeskundige rechtspersonen en een verantwoordelijke. Een organisatie, een universitair instituut of een wetenschappelijke instelling, erkend door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, kan, hetzij vanaf het opmaken van de geschreven overeenkomst, hetzij tijdens de uitvoering ervan, betrokken worden bij de bedrijfsbegeleiding. De geschreven overeenkomst moet door de dierenarts of de diergeneeskundige rechtspersonen belast met de bedrijfsbegeleiding worden medegedeeld aan de Gewestelijke Raad van de Orde der dierenartsen.
§ 2. De Koning kan, na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen en van de Nationale Landbouwraad, de voorwaarden vaststellen waaraan de verschillende vormen van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding moeten voldoen, inzonderheid inzake de verschaffing van geneesmiddelen door de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding en het in bezit hebben evenals de toediening van die geneesmiddelen door de verantwoordelijke.
Hij kan volgens dezelfde procedure nadere regels vaststellen op het gebied van de wederzijdse rechten en plichten van de partijen.
Hij kan volgens dezelfde procedure controlemaatregelen vaststellen.
Art. 7. In afwijking van artikel 4, kan de Koning, na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen, de lijst vaststellen van de diergeneeskundige handelingen die de diergeneeskundige helpers mogen uitvoeren alsmede van de na te leven voorwaarden.
De diergeneeskundige helpers worden ingezet in het kader van officiële programma’s, vastgesteld door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, met betrekking tot de uitvoering van wets- en verordeningsbepalingen die het uitvoeren van diergeneeskundige handelingen vereisen. Zij worden onder het gezag en de verantwoordelijkheid van een overeenkomstig artikel 4 van deze wet erkende dierenarts geplaatst.
HOOFDSTUK IV. – Geneesmiddelen.
Art. 11.
§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 12, mag de verantwoordelijke of de diergeneeskundige helper geneesmiddelen bezitten waarvoor geen voorschrift vereist is.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 12, mag de verantwoordelijke een depot bezitten van geneesmiddelen, waarvoor een voorschrift vereist is, die hij verkrijgt:
1° hetzij op voorschrift van een dierenarts, hetzij verschaft door deze, om een begonnen behandeling volgens de aanwijzingen van die dierenarts voort te zetten;
2° hetzij in het raam van een schriftelijk akkoord bedoeld bij artikel 5, 2°, of van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding bedoeld bij artikel 6.
§ 3. De Koning stelt de lijst vast van de geneesmiddelen, bedoeld onder § 2, en de voorwaarden waaronder de verantwoordelijke ze mag bezitten, verwerven en toedienen.
§ 4. In de onder § 2 bedoelde gevallen, blijft het bezit onder de verantwoordelijkheid van de verschaffer van het geneesmiddel voor zover de verantwoordelijke diens aanwijzingen heeft opgevolgd.
Art. 12.
§ 1. De geneesmiddelen gebruikt in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 mogen uitsluitend verschaft worden aan overeenkomstig artikel 4 van deze wet erkende dierenartsen en kunnen enkel worden toegediend door deze overeenkomst artikel 4 van deze wet erkende dierenartsen.
§ 2. Onverminderd § 1, mogen de geneesmiddelen behorende tot de volgende groepen: hormonale of antihormonale stoffen, stoffen met hormonale of antihormonale werking, psychotropen, entstoffen, sera, verdovende middelen, anaesthetica, tranquilantia, analgetica en neuroleptica slechts worden toegediend door de dierenarts.
De lijst van deze farmacologische groepen of van deze stoffen kan worden aangevuld door de Koning.
§ 3. Voor wat het toedienen betreft, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van de §§ 1 en 2, de geneesmiddelen waarvan de lijst door de Koning vastgesteld wordt en die voorgeschreven of verschaft worden in het kader van een schriftelijk akkoord zoals bedoeld in artikel 5, 2°, of van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding zoals bedoeld in artikel 6 of van de toepassing van artikel 7. De volledige Wet kan nagelezen worden via http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1991/08/28/1991016144/justel




Geef een reactie op Onze Orde op glad ijs – Soms over diergeneeskunde Reactie annuleren