Wat hebben castreren van biggen, de vele vacatures voor dierenartsen in de gezelschapsdierensector en de vaccinaties in de pluimveesector met elkaar te maken? Veel, zo blijkt.
Onverdoofd castreren van biggen wordt in meer en meer Europese landen, terecht, verboden. Er bestaan alternatieven – denk aan immunocastratie – maar net als in Frankrijk ligt ook bij ons het delegeren van het verdoven met anesthetica (-houdende gel) aan varkenshouders op tafel. Dat de wetgever het gebruik van anesthetica bij dieren tot vandaag voorbehouden heeft voor dierenartsen is evident: het zijn gevaarlijke producten die kennis van zaken vereisen als je ze inzet. De wettelijke basis voor dat delegeren ligt echter al jaren verankerd in artikel 5, 2° van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunde[1] uit 1991 maar werd (nog) niet geconcretiseerd middels een uitvoeringsbesluit. Uiteraard bestaat er een verschil tussen het injecteren van anesthetica en het gebruiken van een gel – de vraag is of die laatste ook echt werkzaam is en dierenleed vermijdt want daar gaat de discussie over – maar laat ons afwachten wat de Belgische en Vlaamse wetgever straks beslissen om de discussie over verdoofd castreren, waar de dierenartsen aan deelnemen, af te ronden. We weten wel dat het doorgaans niet de dierenartsen zijn die de pen vasthouden als er wetgeving wordt gewijzigd die hen aanbelangt. Los daarvan: castreren van biggen, ook verdoofd, blijft steeds illegale uitoefening van de diergeneeskunde en wel omdat het een heelkundige ingreep is, een monopoliehandeling van dierenartsen (artikel 3, 6° van dezelfde Wet[2]). Regularisatie – dat wil zeggen dat de veehouder als leek legaal een heelkundige ingreep uitvoert bij zijn varkens – kan, via uitvoering van artikel 5, 2°, en komt er dus mogelijks aan samen met het toelaten van inzetten van anesthetica(-houdende gel) door diezelfde veehouder. Is dat noodzakelijk?
De gezelschapsdierensector kampt sinds enkele jaren met massa’s vacatures die niet ingevuld raken. Redenen daarvoor werden elders al aangehaald. De gevolgen worden echter langzaamaan onhoudbaar. De meeste van de praktijken hebben assistenten in dienst doch deze kunnen bij gebrek aan wettelijk kader niet meer dan administratief ondersteunen, baliewerk verrichten en poetsen. Kan dat niet anders?
Sinds 2000 werd het via het construct van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding, met als basis artikel 6 van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunde[3], mogelijk gemaakt dat veehouders hun eigen dieren vaccineren tegen niet-gereglementeerde dierziekten (denk aan snuffelziekte bij varkens, denk aan mastitis bij melkvee). Zelfs vaccineren tegen gereglementeerde, aangifteplichtige dierziekten door de veehouder zelf kan indien een uitvoeringsbesluit dat de bestrijding van een dergelijke ziekte regelt dat specifiek toelaat. Dat is bijvoorbeeld zo bij pluimvee voor Salmonellose [4] maar dan weer niet voor Pseudovogelpest (Newcastle disease)[5], [6]. Zelfs indien de vaccinatie wettelijk gezien door de dierenarts gedelegeerd kan worden, dan nog mag dat enkel aan de veehouder en nooit aan derden. Toch is het (illegaal) inzetten van zogenaamde entploegen (een term zonder juridische betekenis) bij pluimvee de norm. Dat het steeds zeer grote aantallen dieren betreft én de economische realiteit het betalen van de (te dure en overgekwalificeerde) dierenarts moeilijk maakt, verandert niets aan de illegaliteit van deze praktijk. Kan een andere aanpak een oplossing bieden?
Hierboven heb ik drie uiteenlopende diergeneeskundige dossiers geschetst uit erg verschillende sectoren die op het eerste zicht weinig met elkaar te maken hebben. Als je echter wat afstand neemt en het grotere wettelijke kader kent, dan kom je tot de conclusie dat ze allemaal aan elkaar gelinkt kunnen worden: ze raken één voor één de essentie van de diergeneeskunde, de zogenaamde diergeneeskundige (monopolie)handelingen.
Dat besef biedt de unieke kans om deze dossiers in één beweging aan te pakken door het creëren van een aangepast wettelijk kader dat ik vroeger reeds schetste. Dat kader laat toe dat zogenaamde dierenverpleegkundigen en diergeneeskundige helpers (met een diploma bachelor dierenzorg of diploma dierenverzorgers), in dienst van en onder de verantwoordelijkheid en direct toezicht van dierenartsen, diergeneeskundige handelingen stellen. Een dergelijk kader zou er voor zorgen dat anesthetica niet in handen komen van varkenshouders maar van goed opgeleide en bijgeschoolde professionals die biggen castreren onder het toeziend oog van hun werkgever, een dierenarts. Daarnaast zouden deze dierenverpleegkundigen in de gezelschapsdierenpraktijken dierenartsen kunnen ondersteunen door wettelijk afgelijnd diergeneeskundig werk over te nemen en zo de problematiek van de vacatures deels op te lossen. In een zelfde beweging zouden diergeneeskundige helpers, in dienst van en mede opgeleid en bijgeschoold door dierenartsen, kunnen instaan voor de massavaccinaties van pluimvee.
Eén dergelijk, goeddoordacht wettelijk kader zou het beroep enerzijds ondersteunen (denk aan de vacatures) én er voor zorgen dat de monopoliehandelingen, met meer respect voor de wetgeving én het dierenwelzijn, in handen blijven van dierenartsen. In plaats van de monopoliehandelingen gratis weg te geven, houden we ze bij de dierenartsen, zonder dat deze evenwel alles zelf moeten doen (wat onhaalbaar en ongewenst zou zijn).
Gewaagd? Misschien. Maar ik hoop ten stelligste dat de vertegenwoordigers van de dierenartsen zich realiseren dat dossier naast dossier aanpakken zonder het grote plaatje te zien, leidt tot een verdere verwatering (en verarming) van de diergeneeskunde.
Naïef? Nee. De discussie niet durven voeren zou pas getuigen van een verregaande naïviteit. De dierenartsenvertegenwoordigers moeten verhinderen dat de verdere uitholling van de diergeneeskundige taken en verantwoordelijkheden verder gaat en mee de pen vasthouden bij herziening van de wetgeving die ons aanbelangt. Andere beroepsgroepen geven ons daar het goede voorbeeld in. Er moeten geen wenkbrauwen gefronst worden als de dierenartsen dat ook (vaker) doen.
Duurzaam? Ja. Tenslotte moeten we als beroepsgroep leren nadenken op de langere termijn. Zelfs – en nu dramatiseer ik – het voortbestaan van onze Faculteiten diergeneeskunde kan in gevaar komen…. Waarom nog langer studenten zes lange en zware jaren opleiden, kneden en toetsen om een diploma te behalen als blijkt dat anderen zonder die zware beproevingen meer en meer diergeneeskundig werk mogen uitvoeren? Langetermijn denken is meer dan nodig.
Er is alleszins nog steeds nood aan – ik val in herhaling – een brede en assertieve kijk op de diergeneeskunde. Breed omdat vele dossiers aan elkaar gelinkt zijn ook al lijkt dat bij een oppervlakkige beschouwing niet het geval. Assertief omdat dierenartsen eindelijk de rug moeten rechten in plaats van hun monopoliehandelingen uit te (laten) delen aan leken die niet over de kwalificaties beschikken van dierenartsen. Als we die al willen uitdelen – en dat kan, zoals hierboven geschetst – dan moet dat gebeuren onder de voorwaarde dat dierenartsen de touwtjes in handen houden en dan ook, uiteraard, de verantwoordelijkheid blijven dragen.
En, als iemand nog twijfelt aan de link tussen de dossiers: wat als straks hondenfokkers zelf hun pups willen castreren na het uitsmeren van wat verdovende gel gekocht bij de dierenarts (of, godbetert, op het internet) … ? Wie gaat dat juridisch tegenhouden?
[1]In afwijking van artikel 4, kan de Koning :
1° na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen, de lijst vaststellen van de diergeneeskundige handelingen, die in de ontwikkelingsstand van de wetenschap geen gebruik vereisen van anaesthetica, tranquilantia, analgetica, neuroleptica of infectiewerende middelen en die de verantwoordelijke mag uitvoeren op zijn dieren;
2° na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen en van de Nationale Landbouwraad, bij een in Ministerraad overlegd besluit,
– de lijst vaststellen van de diergeneeskundige handelingen die het gebruik van de in 1° bedoelde produkten vereisen en die de verantwoordelijke mag uitvoeren op zijn dieren indien hij het geschreven akkoord heeft van zijn overeenkomstig artikel 4, van deze wet erkende dierenarts;
– en de voorwaarden vaststellen inzonderheid inzake de bevoorrading, de bewaring en het gebruik van de voorgeschreven of verschafte geneesmiddelen.
De keizersnede mag niet in deze lijst van diergeneeskundige handelingen worden opgenomen.
Het schriftelijk akkoord van de overeenkomstig artikel 4, van deze wet erkende dierenarts moet aan de Gewestelijke raad van de Orde der dierenartsen medegedeeld worden.
[2]§1. De uitoefening van de diergeneeskunde bestaat in het uitvoeren van een of meer diergeneeskundige handelingen.
Voor de toepassing van deze wet zijn diergeneeskundige handelingen :
…
6° het heelkundig en tandheelkundig ingrijpen bij dieren;
…
[3]§1. Een geschreven overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding kan worden gesloten tussen een overeenkomstig artikel 4, van deze wet erkende dierenarts of een erkende diergeneeskundige rechtspersonen en een verantwoordelijke. Een organisatie, een universitair instituut of een wetenschappelijke instelling, erkend door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, kan, hetzij vanaf het opmaken van de geschreven overeenkomst, hetzij tijdens de uitvoering ervan, betrokken worden bij de bedrijfsbegeleiding. De geschreven overeenkomst moet door de dierenarts of de diergeneeskundige rechtspersoon belast met de bedrijfsbegeleiding worden medegedeeld aan de Gewestelijke Raad van de Orde der dierenartsen.
…
[4]§1. De bedrijfsdierenarts voert de vaccinatie uit.
§2. In afwijking op paragraaf 1 mag de bedrijfsdierenarts de uitvoering van de vaccinatie delegeren naar de verantwoordelijke van het pluimveebeslag voor zover er een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding is afgesloten tussen de verantwoordelijke en de bedrijfsdierenarts, overeenkomstig het koninklijk besluit van 10 april 2000 houdende bepalingen betreffende de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding.
§3. De verantwoordelijke verstrekt alle nodige hulp bij het vaccineren van de dieren door de bedrijfsdierenarts.
§4. In afwijking op paragraaf 1, mag bij ontstentenis van een bedrijfsdierenarts, een erkende dierenarts de vaccinatie van deze kippen van het type leg bij houders van minder dan 200 stuks pluimvee of van hobbypluimvee uitvoeren. Deze dierenarts vaccineert de kippen overeenkomstig de criteria in hoofdstuk II en hij stelt voor elke uitgevoerde vaccinatie van deze kippen een toedienings- en verschaffingsdocument op zoals bedoeld in hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 21 juli 2016.
Enkel een bedrijfsdierenarts kan de vaccinatie delegeren overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7.
[5]De vaccinatie van het pluimvee gehouden op een bedrijf als bedoeld in artikel 5, eerste lid, a), i), van het koninklijk besluit van 17 juni 2013 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren en tot vaststelling van de toelatingsvoorwaarden voor inrichtingen voor pluimvee, wordt verricht door de bedrijfsdierenarts zoals bedoeld in artikel 2, punt 21°, van hetzelfde besluit.
[6]Eigenlijk was de Ziekte van Aujeszky de eerste gereglementeerde dierziekte waartegen de veehouder (in deze de varkenshouder) sinds 1999, zelf mocht vaccineren, dus nog voor het publiceren van het wettelijk kader van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding in 2000 verscheen.




Geef een reactie op Verdoofd castreren van biggen – Sarne De Vliegher – Soms over diergeneeskunde Reactie annuleren