In januari 2018 gaf ik een korte lezing voor een werkgroep van proactieve dierenartsen actief in de gezelschapsdieren die regelmatig samenkwamen en met elkaar kennis deelden rond – vooral – praktijkmanagement.
De titel van mijn lezing was “Extern kapitaal in de diergeneeskunde – Wettelijk kader en enkele bedenkingen”. Ik eindigde met twee vragen en mijn eigen antwoorden/bedenkingen (in de voorwaardelijke wijs) met de bedoeling wat discussie uit te lokken.
De eerste vraag was: “Is extern kapitaal een (deel van de) oplossing voor de problemen binnen ons beroep?”. Mijn antwoorden/bedenkingen toen waren:
- Niet zeker;
- Zou wel leiden tot snelle professionalisering;
- Zou zeker leiden tot veel weerstand (niet te onderschatten negatieve onderstroom);
- Zou fantastisch zijn voor oudere dierenartsen die kunnen “cashen” na jaren hard werken en in de afwezigheid van opvolgers;
- Zou een oplossing bieden voor (jonge) dierenartsen die vooral willen bezig zijn met diergeneeskunde en die hun beroep willen combineren met een uitbundig sociaal leven (maar dat kan ook in grotere praktijken in handen van dierenartsen?)
De tweede vraag, gevolgd door mijn eigen, toenmalige bedenkingen: “Is extern kapitaal gewenst?” (PS: In een tekstballonnetje vermeldde ik: “Ik denk van wel”).
- Verdere professionalisering;
- Meer aandacht voor bijscholing en specialisatie;
- Meer tijd voor gezin en hobby;
- Kansen voor verzekeringen;
- Dierenartsen-managers blijven noodzakelijk;
- Zelfstandige praktijken behouden hun plaats;
- Enkel bezig zijn met diergeneeskunde is voor vele dierenartsen een droom (millenials);
- Niet meer tegen te houden.
De werkgroep dierenartsen waarvoor ik de lezing gaf, bestaat vandaag niet meer… net omdat velen hun praktijken verkochten aan concurrerende groepen. De dynamiek en openheid van weleer was niet meer mogelijk. Dat is te betreuren maar valt wel te begrijpen.
Veel van de zaken die ik voorwaardelijk poneerde, zijn ondertussen ingehaald door de realiteit. De weerstand was en is er, nog steeds. De professionalisering van de laatste jaren is enorm. De aandacht voor de jonge collega’s is sterk toegenomen, mede door de vele vacatures, zodat die zich meer dan vroeger kunnen bezig houden met de diergeneeskunde in balans met een leven naast de praktijk. Het bediendenstatuut breekt door.
Bijscholing en specialisatie zijn nog belangrijker geworden en ja, “groep-loze” praktijken behielden tot op vandaag hun plaats. Sommigen investeerden volop zelf en maakten zo een versnelde groei door, overtuigd van hun zelfstandigheid én geïnspireerd door het feit dat de externe investeerders “veel geld” zien in de diergeneeskunde van de gezelschapsdieren. “Waarom dat dan delen met externen?”, is een legitieme vraag.
Ondertussen zijn er ook meer dierverzekeraars dan ooit actief op de markt. Veel dierenartsen duimen dat ze blijven.
En, dat de evolutie niet tegen te houden was, is ondertussen duidelijk geworden. Dat onze Orde in al die jaren nog steeds geen kader creëerde, is dan weer moeilijk te begrijpen. De trein staat namelijk niet stil want ondertussen bieden zich alweer andere innovaties (sommigen zullen die zo niet benoemen) aan. Wat te denken van Cooper Pet Care en Marengo? De KnmvD formuleerde alvast een advies over dat laatste initiatief en ook onze Orde werd alvast gevraagd naar een standpunt. Met een “Dat mag niet!” zullen deze fenomenen echter niet verdwijnen. Beter is het zelf een visie te ontwikkelen en enkele jaren vooruit te kijken én, vooral, mee te denken en zodoende een deontologisch kader te creëren waarbinnen toezicht gehouden kan worden.
Wat denken jullie?
Het blijven alleszins boeiende diergeneeskundige tijden met veel kansen. Als je ze wil zien.



Plaats een reactie