Soms over diergeneeskunde

Sarne De Vliegher


Is er in de diergeneeskunde in België een rol weggelegd voor dierenverpleegkundigen en/of diergeneeskundige helpers?

Al vele jaren bieden meerdere hogescholen een opleiding dierenzorg op Bachelor-niveau aan. Hun toekomstige studenten worden op het verkeerde been gezet met verleidelijke termen als “taken van de dierenartsassistent” en “basisveterinaire handelingen” gezien er vandaag geen wettelijk kader bestaat waarbinnen dierenverpleegkundigen (cf. “veterinary nurses” in het Verenigd Koninkrijk) diergeneeskundig werk mogen uitvoeren. Als ze al te werk gesteld worden in een gezelschapsdierenartsenpraktijk dan is dat om de balie te bemannen, administratief en poetswerk te verrichten, diervoeder te verkopen, en niet om diergeneeskundig werk te verrichten.

Vraag is of dit zo moet blijven en of de tijd niet is gekomen om dat wettelijk kader wél te creëren zodat dierenartsen hun teams kunnen uitbreiden met goed opgeleide assistenten die een (wettelijk vast te leggen) deel van hun werk kunnen overnemen. Nu door de ketenvorming een consolidatie van de diergeneeskundige markt in België te verwachten valt, de Tom en Co’s van deze wereld interesse vertonen in het “Wellopet”-model, en de veehouders een meer preventieve rol van hun dierenarts verwachten, is het alleszins verstandig deze denkoefening te maken. Wachten tot anderen het voor ons regelen, is al vaker de (non-)strategie geweest van de Belgische dierenartsen maar net als bij de discussie over de ketenvorming is het verstandig om als beroepsgroep na te denken over een eventuele nood aan en een specifieke rol voor diergeneeskundige assistenten.

Teveel dierenartsen?

De opleiding diergeneeskunde kreunt al jaren onder een teveel aan studenten en de jarenlange plethora heeft er voor gezorgd dat er bij wijze van spreken op elke hoek van de straat een praktijkdierenarts beschikbaar is met nefaste gevolgen voor diens inkomen en algemeen welzijn. Ondertussen echter is het aantal moeilijk in te vullen vacatures in zowel de gezelschapsdieren- als de nutsdierenpraktijken niet meer bij te houden. De discrepantie tussen het grote aantal afstuderende dierenartsen en het grote aantal vacatures verklaren, is niet evident maar een mix van factoren zal een rol spelen. Het wantrouwen van jonge dierenartsen jegens bestaande praktijken is er één van (zie foto) Foto 4 extern kapitaal 2017en misschien moeten we aanvaarden dat minder studenten dan vroeger diergeneeskunde studeren met de bedoeling practicus te worden. Gezien de hoge kostprijs van de opleiding is dat laatste alleszins voer voor discussie. Hopelijk brengt de door het Vlaamse parlement aangekondigde studie rond de in-, door- en uitstroom van de opleiding diergeneeskunde binnenkort klaarheid in deze bizarre situatie.

Of het toelaten van diergeneeskundige assistentie tot het beroep de problematiek van de niet-ingevulde vacatures op middellange termijn kan helpen oplossen, is deels de reden waarom ik dit stukje schrijf.

Gezelschapsdieren

Ook vandaag werken bij ons al heel wat dierenartsen in de gezelschapsdierensector met dierenartsassistenten. Zij ondersteunen op onmisbare wijze de werking van de praktijk als “manusjes-van-alles” en zijn dus niet meer weg te denken. Als je echter kijkt naar het buitenland dan stel je vast de verhouding dierenartsen/assistenten daar vaak erg anders ligt dan bij ons, namelijk dat er meer assistenten zijn dan dierenartsen, én dat assistenten daar wel (voorbereidend) diergeneeskundig werk uitvoeren (vandaar de term dierenverpleegkundigen). Dat dit vaker het geval is in zogenaamde ketens (al dan niet in handen van dierenartsen), hoeft niet te verbazen. Het zorgt uiteraard voor een totaal andere dynamiek binnen een praktijk. Of onze dierenartsenpraktijken nood hebben aan dierenverpleegkundigen of tevreden zijn met de dierenartsassistenten zoals we die vandaag kennen en met de samenwerking met zelfstandige dierenartsen, blijft de vraag maar bij deze is ze alvast gesteld.

Nutsdieren

In welke mate ook een nutsdierenpraktijk nood heeft aan ondersteuning valt te bepalen. De wetgever voorzag reeds één en ander met het creëren van de “diergeneeskundige helper”[1] die specifieke taken werd toegewezen binnen de dierziektebestrijding[2]. De diergeneeskundige helper wordt dan wel in de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunde  van 1991 gedefinieerd, hij bestaat niet in de feiten. De wetgever verwacht(te?) van de Hoge Raad van de Orde namelijk het oplijsten van diens taken en de door hem na te leven voorwaarden, een taak die bij mijn weten nog niet ter harte werd genomen. Is het het overwegen waard om de diergeneeskundige helper te activeren en hem toe te laten bijvoorbeeld bloednames te doen in opdracht van praktijkdierenartsen? Zou via een aanpassing van de wetgeving de diergeneeskundige helper ook een oplossing kunnen bieden bij de vaccinaties die nu zelfs in de afwezigheid van een wettelijke basis voor delegatie van de vaccinatie aan de veehouder worden uitgevoerd door derden (de zogenaamde “entploegen”) zoals bijvoorbeeld het geval is bij de ziekte van Newcastle[3]? Ik ben er alleszins altijd al voorstander van  geweest de vaccinaties tegen gereglementeerde dierziekten door dierenartsen zelf te laten uitvoeren en niet door de veehouder of verantwoordelijke. Een compromis zou er kunnen uit bestaan de dierenartsen te laten werken met helpers die dergelijke taken in hun naam uitvoeren. De dierenarts blijft ten allen tijde verantwoordelijk en houdt (in)direct toezicht. Ook voor de veehouders biedt dit het voordeel dat ze kunnen rekenen op garanties, bijvoorbeeld in het kader van export.

Wettelijk kader

Indien men eraan denkt dierenverplegers en diergeneeskundige helpers toe te laten tot het beroep dan moet er juridisch gezien één en ander gebeuren. Denk maar aan het creëren van lijsten van dierenverplegers/diergeneeskundige helpers die om diergeneeskundige handelingen te mogen stellen lid moeten worden van de Orde en het oprichten van specifieke tuchtcolleges binnen de Gewestelijke Raden van de Orde der Dierenartsen via de Wet tot Instelling van de Orde der Dierenartsen van 19 december 1950, het definiëren van de dierenverpleegkundige, het herdefiniëren  van de diergeneeskundige helper en het oplijsten van diergeneeskundige taken die ze mogen uitvoeren via de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunde van 28 augustus 1991, het uitbreiden van de Code der Plichtenleer met een sectie voor dierenverpleegkundigen en diergeneeskundige helpers door de Hoge Raad van de Orde der Dierenartsen … Uiteraard is ook overleg met de hogescholen die de bachelorstudenten afleveren aangewezen om één en ander op elkaar af te stemmen.

Wel of niet?

Uiteraard kan de consensus er in bestaan dat dierenartsen zelf en zonder (verdere) inmenging het diergeneeskundige werk zullen blijven doen. Dan verandert er niets. Zij die me kennen weten dat ik me regelmatig erger aan de gratuite uitholling van de diergeneeskunde waarbij diergeneeskundig werk al te makkelijk wordt overgenomen door de eigenaar of de verantwoordelijke van dieren in de nutsdierensector (denk bijvoorbeeld aan de vaccinaties tegen gereglementeerde en niet-gereglementeerde dierziekten). Een kader creëren voor diergeneeskundige assistentie zou een nieuwe stap betekenen waarbij de dierenarts voor een deel ontlast wordt maar de volle verantwoordelijkheid houdt over hoe en wie een (beperkt) deel van zijn werk overneemt. Ik zie deze stap dus niet als een uitholling van het diergeneeskundige takenpakket van de dierenarts, veeleer als een nieuwe manier van werken met gereglementeerde medewerkers.

Anderzijds stellen we vast dat momenteel veel vacatures niet ingevuld raken en dat de diergeneeskunde evolueert waarbij betere ondersteuning in de praktijk waardevol kan zijn zodat de dierenarts zich bijvoorbeeld in de nutsdierensector voor een stuk kan heroriënteren tot coach en preventieadviseur. In die zin is het creëren en/of uitbreiden van een wettelijk kader voor diergeneeskundige assistentie misschien wel noodzakelijk.

Of je dit dossier benadert vanuit de gezelschapsdierenpraktijk (dierenverpleger) dan wel vanuit de nutsdierenpraktijk (diergeneeskundige helper) is, alweer, bepalend. Beide sectoren verschillen erg van elkaar maar toch wordt vandaag noch wettelijk noch deontologisch een onderscheid gemaakt tussen dierenartsen actief in de gezelschapsdieren dan wel in de nutsdieren.

Het is evident dat de eventuele stap naar het creëren van de dierenverpleegkundige en het activeren (en uitbreiden van de taken) van de diergeneeskundige helper gepaard moet gaan met goed denkwerk en sluitende wetgeving zodat er op alle mogelijke manier garanties kunnen worden geboden over het door hen geleverde werk. Dat ze steeds onder (in)direct toezicht van een (erkende) dierenarts én onder de voorwaarden bepaald door de Orde moeten werken, is de evidentie zelf.


[1] 28 AUGUSTUS 1991. Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde. “Art 1, 7° diergeneeskundige helper: degene die in het kader van de toepassing van wettelijke en verordeningsbepalingen bepaalde diergeneeskundige handelingen mag uitvoeren bij dieren van derden.”

[2] 28 AUGUSTUS 1991. Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde. “Art. 7.In afwijking van artikel 4, kan de Koning, na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen, de lijst vaststellen van de diergeneeskundige handelingen die de diergeneeskundige helpers mogen uitvoeren alsmede van de na te leven voorwaarden. De diergeneeskundige helpers worden ingezet in het kader van officiële programma’s, vastgesteld door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, met betrekking tot de uitvoering van wets- en verordeningsbepalingen die het uitvoeren van diergeneeskundige handelingen vereisen. Zij worden onder het gezag en de verantwoordelijkheid van een overeenkomstig artikel 4 van deze wet erkende dierenarts geplaatst.”

[3] 25 JANUARI 1993. Ministerieel besluit houdende reglementering van de vaccinatie tegen pseudovogelpest en tot wijziging van het ministerieel besluit van 4 mei 1992 houdende tijdelijke maatregelen ter bestrijding van de pseudovogelpest. “Art. 2. § 1. Elke verantwoordelijke van een bedrijf van meer dan 100 stuks pluimvee is verplicht een beroep te doen op een aangenomen dierenarts om al zijn pluimvee te laten inenten tegen de pseudovogelpest volgens de modaliteiten bepaald in artikel 4.”



5 reacties op “Is er in de diergeneeskunde in België een rol weggelegd voor dierenverpleegkundigen en/of diergeneeskundige helpers?”

  1. […] dierenartsen kan door Hoge Raad een juridisch en deontologisch kader worden uitgewerkt waarbinnen dierenverpleegsters en diergeneeskundige helpers dierenartsen kunnen bijstaan bij diergeneeskundig […]

  2. Ik sta achter je visie inzake dierenverplegers of diergeneeskundige helpers . Het wordt steeds moeilijker om gemotiveerde practici te vinden.

  3. […] dossiers in één beweging aan te pakken door het creëren van een aangepast wettelijk kader dat ik vroeger reeds schetste. Dat kader laat toe dat zogenaamde dierenverpleegkundigen en diergeneeskundige helpers (met een […]

  4. […] het wenselijk is om dierenverpleegkundigen bepaalde diergeneeskundige handelingen te laten stellen. Ook ik heb in 2018 al luidop de vraag gesteld of een wettelijk kader moet gecreëerd worden dat er voor zorgt dat we […]

  5. […] vaccinaties die zonder wettelijke delegatie zelfs niet door de pluimveehouder maar door zogenaamde entploegen worden uitgevoerd (en – zo lijkt het – worden […]

Plaats een reactie

OVER DEZE BLOG

Op deze blog schrijf ik – meestal – over diergeneeskunde. Ik vind het fijn om op deze manier mijn gedachten te ordenen en zaken te analyseren. Ik hoop daarmee de discussies in en over onze beroepsgroep op een onderbouwde en respectvolle manier te voeden zodat we samen kunnen nadenken over de toekomst.

OVER MEZELF

Al 28 jaar werkzaam aan de Faculteit diergeneeskunde van de UGent, eerst als rundveedierenarts, vandaag vooral als onderzoeker (M-teamUGent) en hoogleraar, denk ik luidop mee over de toekomst van de diergeneeskunde in Vlaanderen, België en daarbuiten.

(Foto: Eric Senmartin)

Ik engageer me liever dan (alleen) aan de zijlijn kritiek te leveren. No lead role in a cage for me.

Mijn gezin (getrouwd met een superdierenarts!), de natuur, de politiek (lokaal N-VA voorzitter), het voetbal (RSCA, SK Munkzwalm), klassieke (JS Bach), electronische (JM Jarre, Vangelis) en filmmuziek (H Zimmer, J Newton Howard) naast Dire Straits en Pink Floyd/David Gilmour, rode (Bourgogne) wijnen en dé diergeneeskunde zijn mijn passies. Mijn professionele interesses liggen bij diergeneeskundig ondernemerschap, recht en ethiek, en dierenwelzijn.

Mijn wetenschappelijk onderzoek rond uiergezondheid bij melkkoeien – een andere hobby – bracht me al in veel uithoeken van de wereld. Die ervaringen doen me beseffen dat het hier in Vlaanderen goed toeven is.

LinkedIn Rewind 2024

“LE BEAU EST L’ÉCLAT DU VRAI.” (Hegel).

Nieuwsbrief