Zonder volledigheid te claimen, probeer ik in te gaan op de vraag hoe een zogenaamde Diergeneeskundige Rechtspersoon, afgekort als DRP, kan worden opgericht. Dit kan evenwel niet zonder eerst in te gaan op enkele wettelijke bepalingen en op de vraag of de DRP door de wetgever gecreëerd werd om enkele praktische problemen in de dagelijkse praktijk op te lossen dan wel, in navolging van de architectenvennootschap, om dierenartsen toe te laten hun beroepsaansprakelijkheid te beperken.
Wetgevend kader
De DRP werd via de Wet tot instelling van de Orde der dierenartsen[1] in 2014 ingevoerd en wordt als volgt omschreven (Artikel 2, §1, 2°):
“De diergeneeskundige rechtspersoon is de rechtspersoon die beschikt over rechtspersoonlijkheid, met een maatschappelijke zetel en bij ontstentenis ervan met een uitbatingszetel in België en die geregistreerd is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen met een ondernemingsnummer en die aan volgende voorwaarden voldoet:
1° alle zaakvoerders, bestuurders, leden van het directiecomité zijn natuurlijke personen die ertoe gemachtigd werden het beroep van dierenarts uit te oefenen overeenkomstig artikel 4 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde;
2° zijn doel en activiteit zijn beperkt tot het verlenen van diensten die behoren tot de uitoefening van het beroep van dierenarts en mogen hiermee niet onverenigbaar zijn;
3° indien hij is opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap of een commanditaire vennootschap op aandelen, zijn zijn aandelen op naam;
4° de aandelen of deelbewijzen alsook de stemrechten zijn rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit van dierenartsen die de diergeneeskunde uitoefenen binnen de diergeneeskundige rechtspersoon. Nochtans kan 33 % van de aandelen en deelbewijzen in het bezit zijn van rechthebbenden van dierenartsen-vennoten, van andere dierenartsen of van diergeneeskundige rechtspersonen;
5° de diergeneeskundige rechtspersoon mag geen aandelen bezitten in andere vennootschappen of rechtspersonen waarvan het maatschappelijk doel of de activiteiten onverenigbaar kunnen zijn met de uitoefening van de diergeneeskunde.
Als de rechtspersoon niet meer voldoet aan de vereiste voorwaarden om zijn inschrijving op de lijst van de Orde te behouden, beschikt hij over een termijn van zes maanden om zich in regel te stellen met die voorwaarden. Deze termijn kan verlengd worden door de bevoegde gewestelijke raad.”
Verder vermeldt de Wet van 1950[2]: “Wanneer een tuchtstraf wordt opgelegd aan een rechtspersoon, kan er een ook tuchtstraf worden opgelegd aan de natuurlijke personen die ingeschreven zijn op de lijsten van de Orde wier interventie aan de basis ligt van de feiten waarvoor de rechtspersoon een tuchtstraf kreeg.” Dit impliceert dat een DRP zelf ook tuchtrechtelijk bestraft kan worden, net als een dierenarts natuurlijke persoon.
Aanvullend wordt in de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde[3] vermeld dat de DRP dient te zijn ingeschreven op één van de lijst en van de Orde (Artikel 4), wat aangeeft dat deze, evenwel via haar dierenartsen natuurlijke personen die zelf lid zijn van de Orde, de diergeneeskunde kan uitoefenen: “Niemand mag de diergeneeskunde uitoefenen zonder ingeschreven te zijn als dierenarts op de lijsten van de Orde die het beroep beheren zoals bedoeld in de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen of als diergeneeskundige rechtspersoon op de in dezelfde wet bedoelde lijsten van de Orde. De diergeneeskundige rechtspersonen oefenen de diergeneeskunde enkel uit via dierenartsen natuurlijke personen die gemachtigd zijn om diergeneeskundige handelingen uit te voeren.” Dit is een buitengewone bepaling die het grote verschil met de (deontologische) rechtspersonen met diergeneeskundig doel, zoals we die al jaren kennen en die heel vaak door dierenartsen gebruikt worden om fiscale redenen en om hun privévermogen af te scheiden van dat van hun praktijk, duidelijk maakt. De DRP oefent namelijk zélf de diergeneeskunde uit. Of daaruit besloten kan worden dat de DRP alle diergeneeskundige handelingen kan stellen, dan wel diegene die specifiek voorzien zijn in de wetgeving, komt verder aan bod.
Belangrijk daarbij is te vermelden dat de vermelde dierenartsen natuurlijke personen ofwel vennoot zijn van de diergeneeskundige rechtspersoon ofwel er een contract mee hebben: “Deze dierenartsen zijn vennoten van de diergeneeskundige rechtspersoon of hebben een contract met deze rechtspersoon.”
Aanvullend stelt Artikel 4: “De dierenartsen en de diergeneeskundige rechtspersonen mogen het beroep van dierenarts niet uitoefenen zonder door een beroepsaansprakelijkheidsverzekering gedekt te zijn. Wat de diergeneeskundige rechtspersonen betreft, zijn alle zaakvoerders, bestuurders en leden van het directiecomité hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de verzekeringspremies. De diergeneeskundige rechtspersoon kan deze verzekering in hun naam afsluiten. De diergeneeskundige rechtspersonen die het beroep uitoefenen, zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van boetes en de uitvoering van herstelmaatregelen waartoe hun organen en aangestelden veroordeeld zijn.”
Zoals reeds vermeld, moet een DRP lid zijn van de Orde (en dus lidgeld betalen), wat volkomen begrijpbaar is, gezien hij diergeneeskundige handelingen kan stellen. Daarnaast kan de DRP kiezen om een erkenning aan te vragen bij de overheid om zodoende mee te kunnen werken aan officiële overheidsopdrachten (Artikel 4): “Daarenboven moeten de dierenartsen of diergeneeskundige rechtspersonen die meewerken aan de uitvoering van wets- en verordeningsbepalingen, vooraf erkend worden door de Minister bevoegd voor de Volksgezondheid of door zijn afgevaardigde. De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure voor het verlenen van de erkenning. Hij bepaalt de rechten en de plichten van de erkende dierenartsen 2 en erkende diergeneeskundige rechtspersonen]2 en regelt de wijze waarop zij vergoed worden voor het verlenen van hun diensten. Hij bepaalt de sancties die kunnen worden opgelegd bij het niet naleven van de erkenningsvoorwaarden, van de plichten en van de wets- en verordeningsbepalingen aan de uitvoering waarvan de erkende dierenartsen of erkende diergeneeskundige rechtspersonen meewerken. Pas als een DRP erkend is door de overheid, kan hij bijvoorbeeld contracten van epidemiologische bewaking of diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding tekenen.
Artikel 16 van de wet stelt dat: “Alle statuten van de diergeneeskundige rechtspersonen, de overeenkomsten tussen dierenartsen, tussen een dierenarts en een diergeneeskundige rechtspersoon of tussen diergeneeskundige rechtspersonen alsook de huishoudelijke reglementen met betrekking tot die overeenkomsten worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Gewestelijke Raad van de bevoegde Orde. De Hoge Raad van de Orde van Dierenartsen bepaalt de voorwaarden waaraan de overeenkomsten, statuten en huishoudelijke reglementen met betrekking tot die overeenkomsten dienen te beantwoorden, met name de voorwaarden in geval van ontbinding, overlijden, tuchtstraf en administratieve sanctie. De aandelenregisters en de identiteit van de mandatarissen en zaakvoerders worden meegedeeld aan de Gewestelijke Raad van de Orde.” Voor zover ik weet heeft de Hoge Raad nooit de vermelde voorwaarden bepaald, en worden aan Waalse en Vlaamse zijde DRP-en door de respectievelijke Gewestelijke Raden goedgekeurd door zich te baseren op de wetgeving (onder andere op de hierboven vermelde bepalingen) en op de bestaande deontologische bepalingen rond de deontologische vennootschappen met diergeneeskundig doel zoals vermeld in onder andere Artikel 25 en de Bijlage 4 van de Code der Plichtenleer[4] (zie verder).
“Light version” versus “full option”
Het blijft gissen of de wetgever met de invoering van de DRP enkel de bedoeling had enkele praktische problemen uit de nutsdierenpraktijk op te lossen, met name in het kader van de epidemiologische bewaking en de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding (waaronder het probleem dat binnen een groepspraktijk met meerdere dierenartsen slechts de dierenarts die het contract van bedrijfsbegeleiding tekende met de veehouder, geneesmiddelen mocht achterlaten binnen de tweemaandenregel, wat bijvoorbeeld lastig was tijdens vakanties of weekenddiensten; de rol van de plaatsvervanger buiten beschouwing latend), dan wel om de DRP toe te laten alle diergeneeskundige handelingen te stellen (steeds via zijn dierenartsen natuurlijke personen, vennoten of contractueel voor hem tewerkgesteld) en de dierenartsen in aanvulling op de verplichte beroepsaansprakelijkheid toe te laten hun beroepsaansprakelijkheid te beperken in navolging van de architectenvennootschap, de zogenaamde Laruelle-vennootschap. Het is namelijk binnen een DRP niet langer de dierenarts die de diergeneeskundige handelingen stelt maar de DRP zelf, via de dierenarts natuurlijke persoon. Dat is uiteraard zeer belangrijk indien er sprake is van beroepsfouten gemaakt in het kader van de uitoefening van de diergeneeskunde. Spijtig genoeg is de wetgever onvoldoende duidelijk geweest en blijft het – ik val in herhaling- gissen naar de ware bedoelingen: enkele praktische problemen oplossen, dan wel de dierenartsen net zoals de architecten toe te laten hun beroepsaansprakelijkheid te beperken. Voor de volledigheid verwijs ik daarvoor naar de bijdrage[5] van Meester Burgelman in het online beschikbaar naslagwerk “Actualia veterinair recht” (editors: Luk Burgelman en Sarne De Vliegher, Larcier uitgeverij) alwaar dieper wordt ingegaan op deze boeiende materie.
Los daarvan is het vandaag dus mogelijk dat een DRP de contracten van epidemiologische bewaking (varkens[6], runderen[7] en pluimvee[8]) en van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding[9] ondertekent.
Concreet
Indien een dierenarts of enkele dierenartsen een DRP wenst/wensen op te richten dan zullen daartoe statuten moeten worden opgemaakt (of gewijzigd indien vertrokken wordt van een bestaande vennootschap) door een notaris. Deze moeten, met specifieke vermelding dat het gaat over een DRP zoals bepaald in de wet van 1950[2], in draftversie worden overgemaakt aan de bevoegde Gewestelijke Raad en zullen rekening houden met bovenstaande wettelijke en volgende deontologische bepalingen: “Art. 25 Vennootschappen / associaties / samenwerkingen: De dierenartsen die zich wensen te associëren en/of een vennootschap wensen op te richten in het kader van de uitoefening van de diergeneeskunde moeten zich onderling verbinden met een geschreven contract, volgens de modaliteiten nader omschreven in bijlage 4. Alle geschreven contracten, alsmede eventuele akten van oprichting inhoudende de statuten en de reglementen van inwendige orde, dienen in de vorm van een ontwerp aan de Gewestelijke Raad te worden medegedeeld. Deze laatste onderzoekt of ze al dan niet in overeenstemming zijn met de diergeneeskundige plichtenleer, geeft er zijn goedkeuring aan of vordert dat passende wijzigingen worden aangebracht. Elke aanpassing of wijziging aan een eerder goedgekeurd contract dient aan dezelfde instantie voorafgaandelijk ter goedkeuring te worden medegedeeld.”
en Bijlage 4:
“4. Contracten tussen dierenartsen
4.1 Elke geschreven overeenkomst moet minstens nauwkeurig opgeven:
- het onderwerp van de overeenkomst,
- de uitbatingszetel van de onderneming,
- de aangewezen gesprekspartner,
- de rechten en de plichten van de ondertekenaars,
- de voorwaarden in geval van onbeschikbaarheid, van vertrek, van overlijden, van toetreding, van tijdelijke of definitieve uitsluiting, van ontbinding, van disciplinaire schorsing,
- de modaliteiten van praktijkvoering en van permanentie voor zover deze georganiseerd wordt. Deze overeenkomst kan een clausule bevatten betreffende een niet-concurrentiebeding, beperkt in tijd en ruimte. Elk associatiecontract moet, buiten de hierboven vermelde verplichtingen, de modaliteiten van de verdeling van de erelonen nauwkeurig omschrijven.
4.2 In de overeenkomsten is iedere clausule verboden die:
- de onafhankelijkheid of de beroepsverantwoordelijkheid van de dierenarts beperkt;
- een monopoliserend karakter vertoont;
- de vrije keuze van de cliënt beperkt;
- een commerciële uitoefening van de diergeneeskunde met zich mee kan brengen of enige vorm van collusie.
4.3 Daarenboven moeten de vennootschappen beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
- de naam mag niet monopoliserend zijn;
- alle aandelen dienen op naam te zijn;
- de aandelen kunnen slechts toebehoren of overgedragen worden aan dierenartsen die ingeschreven zijn op de lijst van de Orde, behoudens afwijking toegestaan door de Gewestelijke Raad;
- de bestemming van de aandelen in geval van overlijden, uitsluiting of vertrek moet gespecificeerd worden;
- de bestuursfuncties moeten door dierenartsen worden waargenomen.”
Eens de statuten en het reglement van inwendige orde zijn goedgekeurd door de bevoegde Gewestelijke Raad van de Orde, wordt de DRP opgericht via de notaris en wordt de DRP ingeschreven op de specifieke, daarvoor voorziene lijst van de Orde en krijgt hij zodoende een ordenummer (startend bij R0001). De DRP wordt daarop uitgenodigd zijn lidgeld te betalen. Op de vraag of de Orde het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen op de hoogte moet stellen van de oprichting van de DRP ben ik geneigd negatief te antwoorden gezien het Agentschap bij het tekenen van nieuwe contracten van epidemiologische bewaking en bedrijfsbegeleiding door de DRP (in de vraagstelling is er sprake van rundveepraktijken) daarvan binnen die context op de hoogte zal worden gesteld.
Daarna wordt, indien dat gewenst is in het kader van medewerking aan officieel werk voor de overheid waaronder de epidemiologische bewaking (in de beide gevallen uit de vraagstelling dus zeker van toepassing), via een louter administratieve procedure de DRP erkend door de overheid ( i.e. Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu). De eedaflegging zoals deze dient te gebeuren als een dierenarts natuurlijke persoon erkend wil worden, is hier om evidente redenen niet aan de orde.
De Gewestelijke Raad en de overheid worden steeds door de DRP, die daartoe een gesprekspartner aanduidt, op de hoogte gebracht van aanpassingen aan de statuten (die steeds opnieuw moeten worden goedgekeurd) en op de hoogte gehouden welke dierenartsen werken voor de DRP in kwestie.
[1] 19 MAART 2014. – Wet tot wijziging van de wet van 19 december 1950 tot instelling van Orde der Dierenartsen.
[2] 19 DECEMBER 1950. – Wet tot instelling van de Orde der Dierenartsen.
[3] 28 AUGUSTUS 1991. – Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde.
[4] Code der Plichtenleer Editie 2015.
[5] “De diergeneeskundige rechtspersoon: light-versie of full option”.
[6] 15 FEBRUARI 1995. – Koninklijk besluit houdende bijzondere maatregelen van epidemiologisch toezicht op en preventie van aangifteplichtige varkensziekten.
[7] 28 FEBRUARI 1999. – Koninklijk besluit houdende bijzondere maatregelen van epidemiologisch toezicht op en preventie van aangifteplichtige runderziekten.
[8] 17 JUNI 2013. – Koninklijk besluit tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren en tot vaststelling van de toelatingsvoorwaarden voor inrichtingen voor pluimvee.
[9] 10 APRIL 2000. – Koninklijk besluit houdende bepalingen betreffende de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding.
Aangepast van Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift, x, 2018.



Plaats een reactie