Al enkele jaren stel ik de derdejaarsstudenten diergeneeskunde aan de UGent enkele vragen bij de start van de lessen praktijkmanagement. Zodoende kan ik mezelf een beeld vormen van hoe ze (zoal) denken over hun toekomst in de dierenartsenpraktijk.
Al jaren blijkt dat studenten na afstuderen een grote voorkeur hebben voor samenwerken in een groepspraktijk (tussen de 55 en >70%).

Het samenwerken lijkt ook de manier waarmee de studenten zich zelf willen wapenen tegen de veranderingen die plaats grijpen rondom de diergeneeskunde, ook al zijn er een niet onbelangrijk deel die denken dat vooral innovatie een rol moet spelen.

Het aspect “innoveren” doet me trouwens denken aan een interessant artikel dat vandaag in De Standaard verscheen: “Ook notaris voelt hete adem technologie“. Zijn dierenartsen als vrije beroepers met een regulerende Orde daarmee bezig en is de aanpassing van de Code het enige dat nodig is om de verandering te begeleiden?
Dat studenten diergeneeskunde hun maatschappelijk rol als dierenarts niet onderschatten, leid ik af uit onderstaande word cloud. Bij de vraag aan welke drie waarden derdejaarsstudenten diergeneeskunde denken bij het horen van de term “dierenarts”, bleken vooral zaken als “aandacht en opvolging”, “expertise” en “plichtsbesef” belangrijk.

Dat de termen “stabiliteit” en “voorspelbaarheid” door geen enkele student werden aangeduid, suggereert dat ze zich bewust zijn van een toekomst die uitdagingen (en dus ook kansen) met zich meebrengt. Als iets niet voorspelbaar is, blijft het boeiend en wordt het nooit saai. Toch?



Plaats een reactie